|
De
premiervraag speelt op. Nu de PvdA van Bos in sommige peilingen
het CDA van Balkenende voorbijstreeft, wordt er druk gespeculeerd
over wie de premierkandidaat van de PvdA zou kunnen zijn.
Dat is op zijn minst een beetje voorbarig want peilingen
zijn maar peilingen, niet waar?
Bovendien bewijst de geschiedenis dat de PvdA niet noodzakelijkerwijze
mee gaat regeren als zij de grootste mocht worden, laat
staan dat zij dan automatisch de premier zal leveren.
De grootste, maar toch niet regeren
Na 1945 is het drie keer voorgekomen dat de PvdA
de grootste partij was, maar toch niet meeregeerde omdat
de christen-democraten (het CDA, respectievelijk haar voorgangers
KVP, ARP en CHU) liever met de VVD in zee gingen. De eerste
keer was in 1971: de PvdA haalde toen 39 zetels tegen 35
voor de KVP. Volgens de confessionelen stond het programma
van de PvdA echter vol 'irreële ideeën' en ze
weigerden dan ook zelfs maar te onderhandelen met de sociaal-democraten.
In 1977 had de PvdA 53 zetels, terwijl het CDA niet verder
was gekomen dan 49. Maandenlang werd er stevig onderhandeld
tussen PvdA en CDA, totdat CDA leider Van Agt het toch maar
op een akkoordje besloot te gooien met Wiegel van de VVD.
In 1982 tenslotte bleef de PvdA het CDA voor met 47 tegen
45 zetels, maar ook toen kozen de christen-democraten onomwonden
voor de VVD.
Niet de grootste, maar toch de premier
Dat de grootste regeringspartij per definitie de premier
levert is een fabeltje. In 1948 werd Willem Drees minister-president,
hoewel zijn PvdA met 27 zetels achterbleef bij de 32 van
coalitiepartner KVP (de Tweede Kamer telde toen overigens
nog 100 zetels). Pas velen jaren later werd bekend dat KVP
leider Romme het niet had aangedurfd om minister-president
te worden omdat hij geen woord Engels sprak, iets wat hij
als een grote handicap beschouwde in het tijdperk van de
NAVO en de Marshall-hulp.
Jelle Zijlstra gaf als premier leiding aan een overgangskabinetje
van KVP en ARP nadat het kabinet Cals (KVP,PvdA,ARP) in
1966 was gevallen tijdens de nacht van Schmelzer. Zijlstra
was echter geen lid van de 50 zetels sterke KVP, maar van
de veel kleinere ARP, die met slechts 13 zetels in de Tweede
Kamer was vertegenwoordigd. In 1971 werd Zijlstra's partijgenoot
Biesheuvel premier van een vijf partijen-kabinet (KVP,VVD,ARP,CHU
en DS70). Dit terwijl de ARP met 13 zetels achterbleef bij
coalitiepartners KVP (35) en VVD (16).
|